Home » Diabetes en milieuvervuiling

Op de vraag waarom het aantal gevallen van diabetes zo alarmerend snel toeneemt, zullen de meeste beschuldigende vingers wijzen naar een slecht dieet, luiheid en vetzucht. Nieuw onderzoek laat echter zien dat er nog een factor in het spel zou kunnen zijn: pesticiden en andere vormen van milieuvervuiling om ons heen.

 

Wetenschappers schrijven deze wereldwijde epidemie vooral toe aan diverse factoren die te maken hebben met onze levensstijl, zoals obesitas (zwaarlijvigheid), ongezonde voeding en gebrek aan lichaamsbeweging. Obesitas wordt zelfs als de belangrijkste risicofactor gezien omdat 90 procent van alle diabetici behoorlijk overgewicht heeft.

Nieuwe onderzoeksresultaten wijzen er echter op dat ons milieu mogelijk ook bijdraagt aan het sterk stijgende aantal mensen met diabetes. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de kans dat we deze ziekte krijgen, enorm kan toenemen wanneer we worden blootgesteld aan veelvoorkomende giftige stoffen in het milieu zoals arsenicum, dioxines en zelfs elektrische vervuiling.

 

Arsenicum
Hoe groot de rol is die milieuvervuiling speelt bij het ontstaan van diabetes, blijkt uit een recente Amerikaanse studie waarin de gevolgen van de blootstelling aan arsenicum werden onderzocht. Arsenicum is een giftig sporenelement dat over de hele wereld in drinkwatervoorraden wordt aangetroffen.

 

Op grond van gegevens uit het Amerikaanse National Health and Nutrition Examination Survey (NHANES) van 2003-2004 – bevolkingsonderzoeken die op verschillende momenten door het CDC worden uitgevoerd – bleek dat type-2-diabetici 26 procent meer arsenicum in hun urine hadden dan niet-diabetici en dat dit arsenicum zeer waarschijnlijk uit het drinkwater afkomstig was. Anders gezegd, de mensen met de grootste hoeveelheid arsenicum in hun urine hadden bijna vier keer zoveel kans om diabetes type 2 te krijgen dan degenen die de kleinste hoeveelheid hadden.

 

Bij eerdere onderzoeken in Taiwan, Bangladesh en Mexico was er al een verband aangetoond tussen arsenicum in het drinkwater en diabetes. Mensen die in gebieden woonden waar extreem veel arsenicum in het water zat, hadden een tien keer zo grote kans om de ziekte te krijgen. Het nieuwe onderzoek is echter een van de eerste waarin een toegenomen risico van diabetes wordt gerapporteerd voor mensen die in een gebied wonen waar weinig arsenicum voorkomt. Dit zijn verontrustende uitkomsten, wanneer we ons realiseren dat miljoenen mensen over de hele wereld aan zulke waarden blootstaan.

 

Behalve via het drinkwater krijgen we arsenicum ook binnen via mineraalwater, wijn, bepaalde voedingsmiddelen (met name zeedieren) en geperst hout. Van deze bronnen staat nog niet vast of en hoe zij verband houden met diabetes, maar ze verhogen ongetwijfeld de hoeveelheid arsenicum in het lichaam.

 

Moeilijk afbreekbare stoffen
Nog een giftige stof – of, beter gezegd, groep giftige stoffen – die misschien deze diabetesepidemie aanwakkert, wordt aangeduid met de verzamelnaam persistent organic pollutants (POPs). Dit zijn chemische stoffen in het milieu die moeilijk afbreekbaar zijn en zich via de voedselketen in levende organismen ophopen. Dioxines, polychloorbifenylen (pcb’s), dichloordifenyldichloorethyleen (DDE, het belangrijkste afbraakproduct van het pesticide dichloordifenyltrichloorethaan of DDT), transnonachloor, hexachloorbenzeen en de hexachloorcyclohexanen (waaronder lindaan) zijn enkele POPs die vrij algemeen worden aangetroffen bij de algehele bevolking.

Tot voor kort was er nog weinig aandacht voor het feit dat blootstelling aan POPs ertoe kan bijdragen dat diabetes ontstaat. Inmiddels zijn er echter diverse rapporten verschenen waarin wordt aangetoond dat mensen die beroepsmatig of door andere omstandigheden in aanraking komen met grote hoeveelheden van deze milieuverontreinigende stoffen, een verhoogde kans lopen diabetes te krijgen.

 

De duidelijkste onderzoeksresultaten komen uit studies die werden verricht bij het personeel van de Amerikaanse luchtmacht dat tijdens de Vietnam-oorlog betrokken was bij het sproeien van het verdelgings- en ontbladeringsmiddel Agent Orange. Dit middel bevat ook TCDD (2,3,7,8,) -tetrachloordibenzo-p-dioxine, een van de giftigste stoffen die wij kennen). Uit de resultaten bleek dat afwijkende glucosewaarden, het aantal gevallen van diabetes en het gebruik van medicijnen om diabetes onder controle te houden allemaal behoorlijk toenamen wanneer het personeel aan dioxines was blootgesteld. Mensen met de grootste blootstelling hadden 50 procent meer kans om diabetes te krijgen (9). Deze en andere, vergelijkbare conclusies waren in 2001 voor het Amerikaanse Department of Veterans Affairs aanleiding om diabetes type 2 te erkennen als een aandoening die verband houdt met blootstelling aan bestrijdingsmiddelen.

 

Zelfs bij blootstelling aan geringe hoeveelheden dioxine is er al een verband met een verhoogd risico op diabetes, zo blijkt uit een studie onder meer dan 1000 Amerikaanse veteranen, die nog nooit met bestrijdingsmiddelen met dioxine in contact waren gekomen. En ze hadden een serumwaarde voor dioxine die binnen de grenswaarden bleef van de achtergrondblootstelling die gewoonlijk bij de Amerikaanse bevolking wordt aangetroffen. In vergelijking met mensen die de laagste dioxinewaarden vertoonden, hadden de mensen met de hoogste waarden bijna twee keer zoveel kans om diabetes te krijgen.

 

Behalve dioxine worden er nog een paar leden van de POP-familie in verband gebracht met diabetes, waaronder pcb’s en gechloreerde pesticiden.
Een van de meest indringende resultaten tot dusver komt uit een recente analyse onder leiding van de Koreaanse onderzoeker Duk-Hee Lee, die een aselecte steekproef van de algehele Amerikaanse bevolking onderzocht op een combinatie van POPs. Ook bij dit onderzoek onderzochten Lee en zijn collega’s aan de hand van de NHANES-gegevens uit 2003-2004 – hetzelfde onderzoek dat in de laatste studie naar arsenicum is gebruikt – in hoeverre diabetes (type 1 en 2 samen) voorkwam in relatie tot zes veelvoorkomende vervuilende stoffen: -hexachloorbifenyl (pcb153), -heptachloordibenzo-p-dioxine (HpCDD), -octachloordibenzo-p-dioxine (OCDD), oxychloordaan, p.p’-dichloordifenyltrichloorethaan (DDE) en transnonachloor. Deze POPs werden gekozen omdat zij in elk geval aantoonbaar waren bij 80 procent van de deelnemers aan het onderzoek.

 

De onderzoekers vonden een sterk positief verband tussen diabetes en alle zes onderzochte POPs, met name pcb153, oxychloordaan en transnonachloor. De mensen met de hoogste concentraties van deze chemische stoffen in hun bloedserum hadden een vijf keer zo grote kans diabetes te krijgen als de mensen met de laagste concentraties. Toen de onderzoekers nagingen wat het gezamenlijke effect van deze zes POPs was, kwam het verontrustende gegeven naar voren dat de deelnemers aan het onderzoek in de hoogste blootstellingscategorie bijna 40 keer zoveel kans hadden diabetes te krijgen.

 

Wat echter vooral interessant was in dit onderzoek, was welk verband er niet werd aangetoond. Verrassend genoeg werd er namelijk geen verband gevonden tussen obesitas en diabetes onder de deelnemers die geen of onmeetbaar weinig POPs in hun lichaam hadden. Obesitas was alleen een risicofactor voor diabetes als de concentratie van deze toxines in het bloed boven een bepaalde waarde kwam. Dit wijst erop dat obesitas niet zo’n belangrijke rol speelt bij diabetes als alom wordt aangenomen.

Een artikel in The Lancet (een vooraanstaand medisch tijdschrift) waarin de onderzoeken inclusief die van Lee et al., werden geanalyseerd, concludeerde dan ook dat ‘dit gegeven wel eens zou kunnen inhouden dat we nagenoeg het totale risico van diabetes als gevolg van obesitas moeten toeschrijven aan moeilijk afbreekbare stoffen (POPs) en dat obesitas slechts onderdeel is van het mechanisme waarlangs deze stoffen werkzaam zijn. Dit is een schokkende mogelijkheid’.

 

Minstens één wetenschappelijk onderzoeker heeft opgemerkt dat er misschien een aannemelijke verklaring is voor het schijnbare verband tussen obesitas en diabetes, ook al zijn de POPs de eigenlijke boosdoeners. David Carpenter van het Institute for Health and the Environment van de Universiteit van Albany in New York stelt namelijk: ‘De meeste gevallen van obesitas ontstaan door excessief gebruik van dierlijke vetten en dierlijke vetten bevatten het grootste deel van de POPs die wij met onze voeding binnenkrijgen’ . Het blijkt dus dat naarmate mensen dikker worden, hun lichaam meer giftige POPs vasthoudt, wat de kans op diabetes vergroot.

 

Deze theorie wordt ondersteund door de resultaten van Lee et al., die vonden dat het verband tussen POPs en diabetes onder zwaarlijvige deelnemers aan hun onderzoek veel sterker was dan bij hun magere landgenote. De theorie blijkt echter niet waterdicht wanneer we kijken naar lichaamsbeweging, een belangrijke manier om diabetes te voorkomen. ‘Als de POPs, en niet obesitas, de grootste risicofactor voor diabetes vormen,’ zegt Carpenter, ‘wordt het heel lastig uit te leggen hoe meer lichaamsbeweging kan helpen om diabetes te voorkomen’. Toch zijn er mogelijke verklaringen. Misschien eten mensen die meer aan lichaamsbeweging doen, gezonder, en consumeren ze minder dierlijke vetten. Of misschien komt het doordat lichaamsbeweging de zuurstoftoevoer vergroot, wat bijdraagt aan het neutraliseren van giftige stoffen. Er is meer onderzoek nodig om te begrijpen welke potentiële factoren invloed hebben op het ontstaan van diabetes.

 

Wat is diabetes?
Diabetes is een levenslange stofwisselingsziekte die veroorzaakt wordt door te veel glucose (suiker) in het bloed. Dit gebeurt wanneer het lichaam onvoldoende insuline aanmaakt of de insuline niet goed gebruikt. Insuline is een hormoon dat door de pancreas (alvleesklier) wordt aangemaakt en dat nodig is om suiker, zetmeel en andere voedingsstoffen in energie om te zetten.

Er zijn twee hoofdvormen van diabetes, die bekend staan als type 1 en 2. Type 1, ook wel ‘vroege diabetes’ genoemd omdat het meestal in de puberteit begint, ontstaat doordat de cellen in de alvleesklier die insuline aanmaken (de bètacellen), niet meer functioneren. Type-1-diabetici moeten kunstmatige insuline krijgen, anders raken ze door het hoge bloedglucose in een coma en gaan ze dood.

De meeste mensen met diabetes hebben echter niet deze extreme, fysiologische vorm van diabetes, maar de mildere vorm van type 2. Deze wordt veroorzaakt door insulineweerstand, die kan ontstaan doordat het insuline-glucosesysteem niet meer goed functioneert, bijvoorbeeld doordat het lichaam onvoldoende insuline produceert, niet goed op insuline reageert of te veel insuline aanmaakt.
Hoewel diabetes type 1 en type 2 van oudsher als twee verschillende stoornissen worden beschouwd, hebben onderzoekers onlangs opgemerkt dat er klaarblijkelijk toch een continuüm tussen beide vormen bestaat. Bij diabetes type 2 blijken de bètacellen in de pancreas namelijk vaak niet meer goed te functioneren voordat er insulineweerstand ontstaat, iets wat ook bij type 1 optreedt.

 

Een groot deel van het onderzoek naar milieuvervuilende stoffen en diabetes betreft diabetes type 2; dit is het type dat in alarmerend tempo toeneemt. Toch zijn er enkele studies, zoals die van Magda Havas (zie artikel), die erop wijzen dat bepaalde milieuverontreinigende stoffen mogelijk ook een rol kunnen spelen bij diabetes type 1.

1 Rev Environ Health, 2008; 23: 59-74

 

Bisfenol A
Een andere boosdoener die mogelijk schuldig is aan het groeiende aantal diabetesgevallen, is de stof bisfenol A (BPA), die de inwendige stofwisseling verstoort. Hij wordt gebruikt bij de productie van plastic consumptiegoederen en in de epoxyharsen waarmee blikjes voor dranken en etenswaren worden bekleed. Deze stof komt overal in het milieu voor, en ook in de mens, voornamelijk doordat het vanuit de verpakking terechtkomt in het voedsel dat wij eten (zie Medisch Dossier, maart 2008 ‘Vergif in het winkelmandje’). Amerikaanse studies hebben aantoonbare waarden van BPA gevonden bij meer dan 90 procent van de bevolking.

 

De meeste studies naar de gezondheidseffecten van BPA concentreren zich op de bekende oestrogene werking die het heeft. BPA en andere endocrien verstorende stoffen verminderen de aanmaak van sperma, vervroegen het begin van de puberteit en beschadigen de voortplantingsorganen. Meer recente rapporten wijzen er echter op dat BPA nog meer effecten heeft. Zo zou het de glucosestofwisseling verstoren. In een onderzoek bij dieren bleek dat BPA – toegediend in een dosis die ver onder de vastgestelde laagste waarde voor nadelige effecten lag die het Amerikaanse Environmental Protection Agency (EPA) heeft vastgesteld – toch een storende invloed had op het functioneren van de bètacellen in de pancreas. Deze zijn verantwoordelijk voor de opslag en afgifte van insuline, het belangrijkste hormoon in de stofwisseling van bloedglucose. Op deze manier ontstond de insulineweerstand die aan diabetes type 2 ten grondslag ligt. De onderzoekers concludeerden dat ‘de gewijzigde homeostase van de bloedglucose ontstaan door blootstelling aan BPA mogelijk de kans op het ontstaan van diabetes type 2 vergroot’. Dit werd bevestigd door een ander onderzoek, waaruit bleek dat muizen die gedurende vier dagen werden geïnjecteerd met geringe doses BPA, al insulineweerstand opbouwden.

 

Resultaten uit dieronderzoek zijn niet per se van toepassing op de mens, maar in een recent onderzoek waarover in het vooraanstaande Journal of the American Medical Association werd gerapporteerd, werd wel een belangrijk verband gevonden tussen BPA en het voorkomen van diabetes onder Amerikanen. Aan de hand van de NHANES-gegevens bestudeerden de onderzoekers 1455 volwassenen van 18 tot 74 jaar om de samenhang tussen BPA in de urine en de algehele gezondheid na te gaan. Na correctie op mogelijke storende factoren vonden zij dat een hoge BPA-concentratie significant samenging met de diagnose diabetes, waarbij het risico van deze aandoening 39 procent hoger was. Ook het verband tussen BPA en cardiovasculaire aandoening was evident.

 

Deze bevindingen sluiten aan bij de uitkomsten over POPs, en misschien ook wel bij de hypothese over obesitas en milieuvervuiling. Het kan zijn dat zwaarlijvige mensen meer kans lopen diabetes te krijgen, niet zozeer vanwege hun overgewicht, maar omdat zij meer levensmiddelen nuttigen die besmet zijn met BPA. De onderzoekers ontdekten inderdaad dat respondenten met een BMI (Body Mass Index) van 35 of meer bijna twee keer zoveel BPA hadden als degenen met een BMI van 18,5-24,9.

Het precieze verband tussen obesitas, toxines in het milieu en diabetes moet nog worden vastgesteld, maar onderzoek wijst tot dusver uit dat we dit verband niet kunnen negeren.

 

Het chemische verband
De aanname dat chemische stoffen verantwoordelijk kunnen zijn voor het groeiende aantal gevallen van diabetes wordt ondersteund door het onderzoek van dr. Lisa Landymore-Lim, een Britse chemicus die zich gespecialiseerd heeft in de immunologie en de biomedische chemie.
Zoals we hebben gemeld in het Medisch Dossier van maart 2006, heeft dr. Landymore-Lim een overtuigende hoeveelheid bewijsmateriaal verzameld waaruit blijkt dat verscheidene veelvoorkomende geneesmiddelen, zoals antibiotica en diuretica, in staat zijn diabetes type 1 te doen ontstaan. Vooral interessant is het feit dat deze geneesmiddelen bepaalde chemische overeenkomsten vertonen. Zo hebben ze allemaal een uitgesproken negatieve lading en een neiging met zinkionen te binden. De pancreas, die een rijke bron van zink is, wordt zo het doelwit van een aanval van chemische stoffen die op zoek zijn naar zink.

 

Dr. Landymore-Lim oppert de hypothese dat geneesmiddelen diabetes kunnen veroorzaken doordat ze een interactie met zink aangaan in de insuline-afscheidende bètacellen van de pancreas. Daardoor veranderen deze cellen en worden onherkenbaar voor het lichaam, dat ze vervolgens waarneemt als ‘vreemde cellen’. Het gevolg is dat het immuunsysteem deze cellen aanvalt en zo ontstaat uiteindelijk de ziekte.
Hoewel pesticiden en andere chemische stoffen in het milieu misschien anders op bètacellen reageren, blijft mogelijk toch dit algemene principe van toepassing. Doordat zij de bètacellen onherroepelijk veranderen, kunnen ze op de een of andere manier een diabetisch proces op gang brengen.

 

Elektrosmog
Naast de genoemde toxines zijn er ongetwijfeld nog meer vervuilende stoffen die op brede schaal in het milieu voorkomen en mogelijk bijdragen aan diabetes. Niet veel mensen zullen dan echter aan elektriciteit denken. Wetenschappelijk onderzoeker Magda Havas van Trent University in Ontario, Canada deed dat wel. Zij doet onderzoek naar een vorm van elektromagnetische vervuiling die als ‘elektrosmog’ bekend staat en haar bevindingen voegen een nieuw stukje toe aan de diabetespuzzel.

 

Met elektrosmog bedoelen we spanningsgolven van hoge frequenties of elektromagnetische straling die de normale elektriciteitsleidingen van 50-60 Hz om ons heen ‘vervuilen’. De schommelingen die daardoor ontstaan, worden veroorzaakt door elektrische apparatuur zoals computers, plasmaschermen, energiezuinige verlichting en dimmers. Dankzij de technologische vooruitgang kunnen wetenschappers elektrosmog nu meten en het blijkt dat deze alomtegenwoordige vervuiler ‘biologisch actief’ is, dat wil zeggen potentieel schadelijk voor de gezondheid.

 

In het onderzoek van Havas wordt elektrosmog in verband gebracht met diverse aandoeningen, zoals astma, aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) en multiple sclerose (25). Een van de opvallendste verbanden is echter dat tussen elektrosmog en diabetes. Aan de hand van vier casestudies heeft Havas diabetici gevolgd die gevoelig waren voor elektriciteit en geanalyseerd welke veranderingen er in hun bloedsuikerspiegel optraden als reactie op de hoeveelheid elektrosmog in hun omgeving. Zij ontdekte dat type-1-diabetici in een elektromagnetisch ‘schone’ omgeving minder insuline nodig hadden en dat type-2-diabetici een lagere bloedsuikerspiegel hadden. Anderzijds leidde blootstelling aan elektrosmog bij hen al snel tot een verhoogde bloedsuikerspiegel.

 

Een bijzonder interessante uitkomst betreft een man met diabetes type 2 die geen medicatie gebruikte, maar wel zijn bloedsuikerspiegel in de gaten hield. Hij merkte dat zijn bloedsuikerspiegel altijd steeg wanneer hij aan de computer werkte en sterk afnam als hij bij de computer wegging. Hij meldde ook dat zijn bloedsuikerspiegel snel veranderde wanneer hij vanaf de kliniek (een omgeving met elektrosmog) naar zijn auto op de parkeerplaats (geen elektrosmog) liep en daarna weer terugliep naar de kliniek. In de twintig minuten die hij daarvoor nodig had, veranderden zijn bloedsuikerwaarden aanzienlijk. De endocrinoloog stelde bij hem de diagnose prediabetisch toen zijn bloedsuiker werd getest vlak nadat hij de kliniek was binnengekomen, maar de diagnose diabetes type 2 nadat hij daar twintig minuten had gewacht.

‘Het bloedsuikergehalte moet worden gemeten in een elektromagnetisch schone omgeving om een onjuiste diagnose te voorkomen en de ernst van de ziekte te kunnen vaststellen,’ concludeert Havas.
Naast het onderzoek van Havas zijn er kleine studies uitgevoerd in gezondheidszorginstellingen in Canada en Japan waaruit blijkt dat diabetici van zowel type 1 als type 2 baat kunnen hebben bij speciale filters die worden geïnstalleerd om elektrosmog terug te dringen. Een halfuur nadat er Graham-Stetzer (GS) filters waren geïnstalleerd in de Yoyogi Natural Clinic in Tokio, Japan, werd het plasma van de patiënten dunner en hun bloedsuikerspiegel daalde. Eén diabeticus type 2 had voorheen moeite gehad om zijn bloedsuiker te reguleren, ondanks medicatie. Maar drie dagen nadat er vier GS-filters in zijn huis waren geïnstalleerd, nam zijn bloedsuikerwaarde aanzienlijk af en hij voelde zich goed.

 

Volgens Havas duiden deze resultaten – in combinatie met een groeiend aantal onderzoeksresultaten uit laboratoria en uit observaties – erop dat er een derde type diabetes is, waarbij de patiënt reageert op invloeden vanuit de omgeving, zoals elektrosmog.

‘In tegenstelling tot de echte diabetici type 1 of type 2, bij wie de bloedsuikerspiegel niet wordt beïnvloed door elektrosmog,’ legt Havas uit, ‘zijn type-3-diabetici mogelijk beter in staat hun bloedsuikerspiegel zonder medicijnen te reguleren, terwijl patiënten die als een grensgeval of als prediabetisch worden aangemerkt misschien langer niet-diabetisch kunnen blijven door zich minder aan elektromagnetische energie bloot te stellen.’ Zij schat dat 50 tot 60 miljoen diabetici over de hele wereld er baat bij kunnen hebben wanneer zij zich minder blootstellen aan elektrosmog.